KFPS College Tour: Fokkerscafé, deskundig en prikkelend

Vlnr Amarins de Vries, Bauke de Boer, Alice Booij, Roelof Tjeerdsma en Jan Vriend.

Onder het toeziend oog van onder andere HK-kampioen Jurre 495, Eise 489 en Bastiaan 510 legt Phryso-hoofdredacteur Alice Booij een aantal stellingen voor aan vier ervaren fokkers. In KFPS College Tour 5 geven Bauke de Boer (fokker van het jaar 2020, Stal fan Bokkum), Roelof Tjeerdsma (fokker van het Paard van het Jaar 2020 Friesen Exclusiv Wirdmer, Stal de Boppelanen), Jan Vriend (voorzitter fokkerijraad, Stal Meren-State) en Amarins de Vries (oud-bestuurslid JongKFPS, stal A.D.V.) hun deskundige én af en toe prikkelende mening.

Familie-, keurings- of sportpaard

Een eerste stelling om er een beetje in te komen: Welk doel hebben jullie voor ogen bij het fokken van een Fries paard: fok je een familie-, keurings- of sportpaard?
Amarins is van mening dat deze drie fokdoelen samengaan; al ligt haar passie bij het keuren. ‘Hoewel bij ons de nadruk op de sport ligt, heb je voor een goed sportpaard toch ook een goed exterieur en goede gangen nodig’, stelt Bauke. ‘Ik ben het dus met Amarins eens.’ Ook Bauke denkt dat een top sportpaard ook de keuringskampioen kan zijn. En de keuring is een familiegebeuren, dus een familiepaard is het óók.’ Bij Jan is de fokkerij ook een familie-aangelegenheid. ‘We zijn samen met de paarden bezig. Fokken kost veel geld, ze moeten presteren om er iets aan te verdienen. Een paard moet op de keuring en in de sport presteren.’

Hoge fokwaarde of lage verwantschap?

Dan de kwestie verwantschap. Kijk je bij het kiezen van een passende hengst bij je merrie naar de hoge fokwaarde of naar de lage verwantschap?
Roelof: ‘Je uitgangspunt is je eigen merrie; als het kan ga je voor de lage verwantschap, maar ik staar me niet blind op de getalletjes. We fokken met stam 50 en hebben zowel de (hoogverwante) Beart 411 als de laagverwante Omer 493 gebruikt.’ Jan stelt dat het KFPS een aantal stempelhengsten heeft met een hoge verwantschap (Beart 411, Norbert 444 en Tsjalle 454 en hun zonen) en dat het toch belangrijk is om laagverwante hengsten zoals Omer 493 en Wibout 511 te gebruiken. ‘Maar’, zo vindt hij ook, ‘De kwaliteit en de prestatie staat voorop.’ Amarins vindt ook dat je op goed merriemateriaal best eens een laagverwante hengst kunt gebruiken.

Bauke gooit er een wat later spraakmakend antwoord blijkt te zijn in: ‘Je zou best eens een paar laagverwante hengsten die nu voor de voorrijdagen zijn aangewezen bij wijze van proef maximaal vijftig merries kunnen laten dekken. Die hengsten zijn qua exterieur en beweging al ok bevonden. De bloedspreiding is essentieel. Zo voorkom je dat de fokkers steeds weer naar dezelfde, hoogverwante hengsten gaan.’ Later blijkt Baukes antwoord nogal wat reacties bij de kijkers los te maken. Zou hij dan zelf met zo’n hengst gaan fokken, is een vraag. ‘Jazeker wel’, is het stellige antwoord. ‘Ik heb hier een Omer x Ulke zien staan waar ik zo drie merries voor heb!’ Ook Jan voelt er wel voor. ‘Als we maar transparant zijn over de voors en tegens.’

Dwerggen en waterhoofd

Voortbordurend op de verwantschapsvraag… is een hengst die drager is een probleem voor de fokkerij? Jan vindt van niet. ‘Gelukkig worden alle hengsten getest. En je merrie kun je ook testen of ze drager van het dwerggen of waterhoofdgen is. Is dat niet het geval, dan kun je rustig een hengst gebruiken die wel drager is. De keus is aan de fokker, de tools zijn er om desastreuze gevolgen te voorkomen.’ Roelof vindt ook dat je dragers niet moet uitsluiten van de fokkerij. ‘De spoeling is al zo dun. Maar de fokkers moeten wel verstandig met het gebruik van zo’n hengst omgaan’, luidt ook zijn advies.

Hengstenkeuze

De volgende vraag is of de vier fokkers het 4-stappenplan van Sietske Oosterbaan gebruiken bij de keuze van de hengst voor hun merries.
Bauke: ‘Bij fokkers met ervaring geldt denk ik dat gevoel het belangrijkste is. Wij zijn opgegroeid met de fokkerij en hebben al zoveel meegemaakt. Alle kennis is bij wijze van spreken van nature aanwezig. De fokwaarden zijn er meer voor beginnende fokkers.’
Roelof: ‘De hengst moet je aanstaan; de fokwaarden zijn je bevestiging, niet je leidraad.’
Amarins: ‘Voor de jonge fokkers ligt dat anders, die kijken zeker wel naar de tool. Wij hebben niet die kennis en ervaring die jullie al wel hebben. Ikzelf vind wel dat ik een goed gevoel bij een hengst moet hebben, én ik kijk naar mijn merrie en de online tools.’

Bauke: ‘Vroeger had je de afstammelingenkeuring, waar je veulens, enters en twenters van één hengst bij elkaar zag lopen. Daar leerde je veel van. Jonge of beginnende fokkers moeten veel naar keuringen gaan. Kijken, luisteren… leren!’
Jan: ‘Dat klopt absoluut. Ik kijk met respect naar de oude fokkers zoals Foeke van de Velde… die mensen hebben zóveel kennis! Hij zei bijvoorbeeld altijd: “Kijk naar de merrielijn waar de hengst uit komt.” Die raad heb ik altijd ter harte genomen.’ Amarins heeft ook zo’n mentor. ‘Wat heb ik veel opgestoken van Sjoerd de Ruiter. Als je begint met fokken, is het inderdaad belangrijk om de kennis van de doorgewinterde fokkers over te nemen, voordat die verloren gaat.’

Sensibel maar braaf

Vervolgens gaat het gesprek over het karakter van het Friese paard. Voor de sport heb je sensibele paarden nodig; we willen een sportpaard, maar tegelijkertijd staat het Friese paard bekend om haar brave karakter.
‘Sensibel mogen ze wel zijn, als ze maar eerlijk zijn in de omgang’, vindt Roelof. ‘Ik heb wel graag dat ze ‘aangaan’. Amarins: ‘Sensibel heeft misschien een negatieve lading, wellicht bedoel je een paard met een “gouden draadje”.’ Bauke: ‘Een paard moet wel voor je willen werken. Tjalf 443 was bijvoorbeeld een hele sensibele hengst; ik had een dochter van hem die ook zo sensibel was, zo heet. Zulke paarden hebben gewoon meer tijd nodig, en die heb ik genomen. Een korte test zoals de ABFP was niks voor dat paard, dat gaat veel te snel, in te korte tijd. Ik heb haar eerst thuis vijf maanden rustig getraind.’ Roelof vindt dat we sowieso moeten opletten dat we niet te snel willen met die jonge paarden. ‘De een heeft meer tijd nodig om te ontwikkelen dan de ander.’ Jan vindt dat karakter en betrouwbaarheid het visitekaartje van het Friese paard zijn. ‘Laten we dat vooral zo houden’, is zijn mening, ‘95% van de paarden gaat immers naar een amateurruiter.’

Een goede fokmerrie

Dan komt er een vraag van een kijker: Waar moet ik op letten als ik een paard wil kopen dat goed genoeg is om mee te fokken?
Amarins is stellig: ‘Een Ster-merrie met een tweede premie zou goed genoeg moeten zijn.’ Bauke vindt dat ze voor een paard uit een goed fokkende stam moet gaan. ‘En neem iemand mee die er verstand van heeft, ook wat betreft het exterieur. Een slechte eet immers net zoveel als een goede!’
Roelof: ‘En maak een studie van die hele fokkerij, verdiep je in de materie. Er is zoveel materiaal beschikbaar via het KFPS.’

Ook onderwerpen als embryotransplantatie, het verband tussen een goed exterieur en een goed sportpaard, de soms slechte prijzen die fokkers krijgen voor hun (middelmatige) veulens kijgen, of er speciale fokrichtingen moeten komen voor het barokke en moderne paard, en het tuig- en het dressuurpaard komen aan de orde.

De uitsmijter van de avond: ‘Gebruik de kennis die voorhanden is. Verdiep je in het ras, bezoek keuringen, maar volg je eigen hart!’

‘Deze avond ging niet over goed of fout’, beëindigt Alice Booij de bijeenkomst. ‘KFPS-fokkers zijn immers toch ook graag een tikkeltje eigenzinnig, en daar houden we wel van!’

Op 15 april is er weer een fokkerscafé, op een andere locatie, met andere sprekers. Daarnaast staan er ook de komende weken weer KFPS College Tours op het programma.

Deze gehele uitzending van College Tour (aflevering 5) is online terug te zien.