Waling Haijtema: ‘We moeten OCD de baas worden door betere selectiemethoden toe te passen’

drs. Waling Haijtema (Foto: Digishots)

Fokvereniging Twente Achterhoek organiseerde een zeer interessante lezing over osteochondrose bij Friese paarden, verzorgd door Waling Haijtema, dierenarts bij Dierenkliniek Wolvega en lid van de KFPS Fokkerijraad. Haijtema begon zijn betoog met uitleg over osteochondrose (OC/OCD) en vervolgde met de huidige stand van zaken en toekomstperspectief voor OCD-onderzoek binnen het KFPS.

Ontstaat vanaf één tot acht maanden leeftijd

Osteochondrose is een stoornis in de ontwikkeling van het kraakbeen. In het gewricht bevindt zich kraakbeen aan het uiteinde van een bot, dit is omgeven door gewrichtsvloeistof. Bot is goed doorbloed, kraakbeen niet. Kraakbeen wordt gevoed vanuit het bot en de gewrichtsvloeistof. Als een jong paard hard groeit, wordt de afstand tussen de voedende gewrichtsvloeistof en de onderste laag van het kraakbeen te groot. Dit veroorzaakt een afwijkende kraakbeenstructuur, soms kan kraakbeen zelfs afsterven. Osteochondrose (OC) ontstaat al heel jong, vanaf een leeftijd van één tot acht maanden. Het is een dynamisch proces waarbij bij veel veulens de losse stukjes kraakbeen ook weer worden opgenomen. Gebeurt dit niet, dan kunnen de losse stukjes verkalken en op latere leeftijd problemen veroorzaken in het gewricht (OCD). OCD in het spronggewricht komt het meest voor.

Voldoende beweging belangrijk

Haijtema gaf aan dat het erg belangrijk is om veulens en jonge paarden voldoende te laten bewegen: ‘Beweging op jonge leeftijd is essentieel voor de ontwikkeling van het kraakbeen en het afharden van banden en pezen.’ Uit onderzoek is gebleken dat het kopergehalte in de lever bij veulens invloed heeft op het herstel van OCD bij veulens. Het is raadzaam voor fokkers om hun drachtige merrie te voorzien van voer met voldoende koper om het veulen een goede start te geven. De tendens in de fokkerij richting steeds grotere paarden, heeft ook invloed op het voorkomen van OCD. Hoe groter het paard, hoe groter de kans dat er OCD ontstaat. De losse fragmenten in het gewricht kunnen meestal relatief eenvoudig operatief verwijderd worden. De prognose hangt mede af van welk gewricht de OCD voorkomt.

Selectie bij jonge hengsten

Binnen het KFPS wordt op dit moment alleen geselecteerd bij de jonge hengsten in het Hengstenkeuringstraject. Ongeveer dertig procent van de hengsten heeft OCD en komt daardoor niet in aanmerking voor goedkeuring als dekhengst. Deze manier van selecteren is weinig succesvol gebleken; het aantal gevallen van OCD is niet gedaald. Het KWPN heeft in 1997 het PROK-predicaat ingevoerd waarbij ook merries werden getest. Het meenemen van vrouwelijke dieren in het onderzoek heeft echter nauwelijks geleid tot een afname van OCD binnen het stamboek. Het KWPN richt zich mede daarom nu op genomics, het genetische materiaal van een paard. Bij het KFPS is genetisch onderzoek ingezet voor het bepalen van het gen dat waterhoofden en dwerggroei veroorzaakt bij Friese paarden. Daarvoor is nu een DNA-test beschikbaar. Het zoeken naar het genetisch materiaal dat OCD veroorzaakt is veel lastiger omdat deze informatie over meerdere locaties verdeeld is. Het KWPN heeft de afgelopen jaren door nakomelingenonderzoek op OCD een groep paarden kunnen bepalen die OCD heeft en een groep paarden die geen OCD heeft, een referentiegroep. Door de genetische informatie van beide groepen met elkaar te vergelijken, is een genoomsysteem ontwikkeld waarmee door DNA testen de erfelijke aanleg voor OCD kan worden bepaald. De KWPN-fokwaarde voor OC geeft weer of een paard een hogere of lagere kans dan gemiddeld heeft om OC door te geven aan zijn of haar nakomelingen.

Lage erfelijkheidsgraad

De vraag voor het KFPS is of het voorbeeld van het KWPN wordt gevolgd. Daartoe dient eerst via nakomelingenonderzoek een referentiepopulatie, groepen met en zonder OCD, te worden opgebouwd. Dit duurt jaren. De kosten van dit nakomelingenonderzoek zijn dertig tot veertigduizend euro per jaar. Dit moet de kosten die fokkers van Friese paarden maken om hun paard met OCD te laten opereren, of de waardevermindering door OCD, compenseren. Wat de materie ingewikkeld maakt is dat OCD een lage erfelijkheidsgraad heeft; voeding en opfok hebben eveneens grote invloed. Haijtema stelt echter dat niets doen geen optie is: ‘We moeten OCD de baas worden door betere selectiemethoden toe te passen.’